Lagen van betekenis III. Traditionele kleding van de Amoer-volkeren:
Schoeisel

Schoeisel

Winterlaarzen voor mannen werden gemaakt van rendieren- of zeehondenbont.

<

Een paar mannen laarzen voor de winter ("ki") met hoge schacht, van zeehondenbont (Phoca larga) en een zool van zeehondenleer (onthaarde zeehondenhuid) (RMV 1202-263)

Het schoeisel van de vrouwen stond minder bloot aan de seizoenen omdat hun werkzaamheden zich voornamelijk in en rond het huis afspeelden en beperkt bleven tot het dorp. Zij droegen zowel in de zomer als in de winterlaarzen van vissenhuiden.

Deze laarzen waren soepel en dun, en dus zeer geschikt voor werk in en rondom het huis. [21] Wel droegen zij er kousen (ook wel 'binnenlaarzen' genaamd) onder. Deze waren gemaakt van huiden en werden gedragen met de bontharen naar binnen gericht, direct op de blote huid. De mannen droegen bontlaarzen die over de kousen werden aangetrokken, met het bont naar buiten gekeerd. Tussen de zool van de kousen en de binnenzool van de laarzen werd een isolerende laag gedroogd gras gelegd.

Zowel mannen als vrouwen droegen een riem waaraan waardevolle accessoires hingen, zoals naaldenkokers, messen, vuursteen en tondel.

<< terug        verder >>


 
  
Terug naar de inhoudsopgave