|
Museum van het Bataviaasch Genootschap Het Museum van Bataviaasch Genootschap - waarvan het Nationaal Museum de erfgenaam is - is bijna even oud als het genootschap zelf. Al sinds zijn ontstaan hield het genootschap zich intensief bezig met het verzamelen van artefacten die werden geschonken door zijn leden. Grondlegger J.C.M. Radermacher maakte daarmee een aanvang door zijn eigen huis te schenken in de Kali Besar-straat in Batavia, inclusief zijn verzamelingen van boeken, muziekinstrumenten, munten, specimina van planten en herbaria. In de hogere koloniale kringen was destijds de gewoonte in zwang om unica te verzamelen. Hierdoor breidden de collecties van het genootschap zich in zeer korte tijd aanzienlijk uit. In 1779 besloot men de collecties open te stellen voor het publiek: het begin van het Museum van het Bataviaasch Genootschap, dat aanvankelijk alleen op woensdag geopend was van 8 tot 10 uur 's ochtends. De leden van het genootschap konden ook boeken lenen voor een periode van drie weken. Toen het museumbezit tijdens het Britse tussenbewind in omvang toenam, stelde gouverneur Sir Thomas Stamford Raffles (1781-1826) een extra gebouw beschikbaar in de wijk Harmoni (nu het gebied rond de Majapahit-straat in Jakarta). Helaas is dit pand inmiddels afgebroken en vervangen door een overheidsgebouw. De collecties van het Bataviaasch Genootschap konden dankzij dit nieuwe onderkomen blijven toenemen met voorwerpen als preparaten van zoogdieren, vogels, schelpen etc. Dat de koloniale overheid belang hechtte aan het werk van het genootschap, blijkt uit een decreet van gouverneur-generaal G.A. baron van der Capellen (1778-1848, die het gezag voerde over de archipel sinds het vertrek van de Engelsen) uit 1822. Hierin bepaalde hij dat de verzamelde oudheidkundige objecten van Java moesten worden afgestaan aan het Bataviaasch Genootschap. Op basis van dit decreet werden alle archeologische vondsten in de hele archipel naar Batavia gezonden, zelfs het beeld van Bhairawa uit West-Sumatra (met zijn hoogte van ruim vier meter). Gedurende het bewind van gouverneur-generaal J.Ch. Baud (1789-1859) in de periode 1833-1836 kregen daarenboven alle bestuursambtenaren in de archipel de opdracht actief oudheidkundige voorwerpen te verzamelen ter verrijking van de collecties van het Museum van het Bataviaasch Genootschap. In 1885 werd door het Nederlands-Indisch gouvernement een wet over het cultureel erfgoed uitgevaardigd, die bepaalde dat alle archeologische vondsten voortaan eigendom waren van het gouvernement en dat het Museum van het Bataviaasch Genootschap ze kon kopen op basis van de geschatte waarde. Omdat echter de groei van de collecties leidde tot knelpunten voor wat betreft de kosten van het beheer, werd het beleid meer gericht op het afgrenzen van het museumbezit. In 1843 was de zoölogische verzameling al afgesplitst; een deel van de voorwerpen werd naar Leiden gestuurd, de rest werd geveild. In 1850 werden de geologische en mineralogisch collecties geschonken aan het Natuurkundig Genootschap, dat toen net was opgericht. Vanaf dat moment concentreerde het Museum van het Bataviaasch Genootschap zich op geschiedenis, archeologie, numismatiek, etnografie en handschriftenverzamelingen. Het gebouw in de Majapahit-straat werd midden 19e eeuw niet langer geschikt geacht als onderkomen voor een museum. Er kwam een nieuw gebouw in Merdeka Barat, niet ver van de vorige locatie. Dit gebouw, dat in 1868 werd ingewijd, is nog altijd in gebruik.
In het nieuwe museumgebouw groeide de collectie weer. Niet alleen werden voorwerpen afgestaan door bestuursambtenaren, ook kocht het museum objecten van particuliere verzamelaars, terwijl daarnaast voorwerpen afkomstig waren van militaire expedities. Zo verkreeg het museum bijvoorbeeld voorwerpen als gevolg van de Nederlandse aanval op het koninklijk paleis van Cakranegara in Lombok. Als resultaat van dit alles bestonden de collecties van het Museum van het Bataviaasch Genootschap uit verschillende soorten cultureel erfgoed.
Ze werden destijds ingedeeld naar discipline, zoals prehistorie, archeologie, numismatiek en heraldiek, etnografie, historische overblijfselen, geografie, keramiek, schilderkunst en handschriften. |