Gedeeld Cultureel Erfgoed De puzzelstukjes van de Borobudur opnieuw bekeken

De puzzelstukjes van de Borobudur opnieuw bekeken

Luchtfoto van de Borobudur.

De Borobudur kwam totstand in de tijd van de boeddhistische Shailendra-dynastie, die eens heerste over een omvangrijk gebied in Zuidoost-Azië. Gebouwd in Centraal-Java in de bloeitijd van de Shailendra's in de achtste en negende eeuw, bleef het heiligdom tientallen jaren in de belangstelling staan. Maar de nieuwe dynastie had haar hart meer liggen bij het hindoeïsme. Bovendien verschoof in het begin van de tiende eeuw het politieke en culturele centrum van het eiland naar Oost-Java. Er bestaan aanwijzingen dat vulkanische uitbarstingen veel Centraal-Javaanse monumenten onder lava en stof deden verdwijnen, terwijl het gebied ook steeds meer ontvolkt raakte. De Borobudur raakte na de tiende eeuw verwaarloosd, maar werd nooit echt vergeten. Plaatselijke kronieken uit later eeuwen maken nu en dan nog melding van het monument, maar rond de achttiende eeuw had het een slechte reputatie verworven waardoor de bevolking het uit angst ging mijden. Europeanen ontdekten de Borobudur aan het begin van de negentiende eeuw, in de korte periode dat Groot-Brittannië Indonesië regeerde. In 1814 hakte de Nederlandse ingenieur Cornelius met zijn team, in opdracht van de Engelse luitenant-gouverneur Raffles, de plek vrij van bomen en planten en maakte de eerste plattegrond en tekeningen van het monument. De getalenteerde schilder Sieburgh vervaardigde twee decennia later een groot aantal mooie schetsen en schilderijen.

Schets gemaakt bij de Borobudur door Sieburgh, rond 1837-1839 (RMV 37-903).

Grote publieke belangstelling en erkenning ontstonden in 1873 door de omvangrijke publicatie van Wilsen met gedetailleerde bouwkundige tekeningen. Door de opkomst van de fotografie kon de wereld het architectonisch wonder in de jaren daarna bovendien in zijn ware gedaante aanschouwen.

De Borobudur, in 1873 gefotografeerd door Isidore van Kinsbergen.

Diverse reddingsacties kwamen op gang en van 1907 tot 1911 vond de eerste wetenschappelijke restauratie van de Borobudur plaats. Dit herstelproject ging gepaard met een stroom van wetenschappelijke publicaties, die de basis legden voor onze huidige kennis van het monument. Zo'n zestig jaar later leidde Unesco de tweede restauratie, met financiële bijdragen en hulp van deskundigen van over de hele wereld. Deze restauratie werd afgerond in 1982. De Borobudur kwam als plek van buitengewone nationale en internationale betekenis op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Het monument heeft nu zijn oorspronkelijke grootsheid herkregen en trekt een steeds groter aantal kunstliefhebbers. De lokale bevolking is niet langer bang voor het heiligdom en ondergaat de weldadige invloed van de plek, samen met de talloze pelgrims en bezoekers die uit de hele wereld toestromen.
Sinds de ontdekking door de Europeanen is enorm veel onderzoek naar de Borobudur gedaan. Debatten, conferenties en publicaties volgden elkaar op. Hierdoor kwam steeds meer informatie beschikbaar, maar rezen ook nieuwe vragen die weer aanleiding gaven tot verdere studie. Recent onderzoek en archeologische opgravingen hebben tot nieuwe gegevens geleid over de geschiedenis van het monument, en tot nieuwe inzichten over de maatschappelijke functies die het had. Diverse puzzelstukjes zijn op hun plaats gevallen, maar veel andere nog niet. De Borobudur blijft de wereld fascineren. Nieuwe ideeën, opwindende theorieën, ingewikkelde hypothesen en gewaagde speculaties blijven de kop opsteken en geven voeding aan het wetenschappelijke onderzoek en debat.

Onze huidige kennis

Veel gegevens zijn inmiddels boven tafel gekomen over de datering, de bouwfasen, het structurele ontwerp en de iconologie van de Borobudur. Met elkaar levert dit materiaal een algemeen beeld op waarmee de meeste onderzoekers kunnen instemmen.

Het architectonisch raamwerk

De Borobudur, zoals rond 1814 geschetst door H.C. Cornelius en afgebeeld in Raffles' boek The History of Java.

Het structureel ontwerp van de Borobudur is beslist uniek, maar toch is er waarschijnlijk een relatie met bouwkundige tradities in India. Volgens sommige plaatselijke legenden heette de hoofdarchitect van het monument Gunadharma; deze naam duidt op een Indiase herkomst en zijn profiel zou aan de horizon te zien zijn in de contouren van de Minoreh-bergketen die het decor van de plek vormt. De materiële vorm van de Borobudur is zonder twijfel verwant aan de terrasvormige stupa's van Noord-India, die een lange en veranderlijke ontwikkelingslijn kennen.
In zijn uiteindelijke ontwerp is de Borobudur echter zonder parallel. De constructie van een bouwwerk van dit type en deze schaal was in Indonesië zeker onbekend, zowel vóór als na de tijd van de Shailendra's. Boeddhistische en hindoeïstische tempels waren in het oude Indonesië gewoonlijk vrij klein en compact - in architectonische verhandelingen en in inscripties worden ze aangeduid als griha of devagriha. Ze boden elk plaats aan slechts één of enkele beelden (arcca) en stonden op zichzelf of waren planmatig gerangschikt in een groep. Dergelijke gebouwen hadden geen publieke functie en boden alleen ruimte aan enkele selecte vereerders. De Borobudur daarentegen was een vernieuwing van de Shailendra's: het bouwwerk werd ontworpen als grote, uitgestrekte vereringsplek, open en toegankelijk voor grote groepen monniken en leken. Ook in het oude boeddhistische India en Sri Lanka kwamen dergelijke plaatsen voor. Hun rijkdom, politieke macht en contacten met de cosmopolitische culturele centra van die tijd brachten de Shailendra's ertoe bij hun eigen residentie fraaie tempels te bouwen. Maar daarnaast bouwden ze de grote open vereringsplek, bedoeld voor collectieve rituele praktijken. Op deze plek waren ook faciliteiten om bezoekende geleerden en pelgrims te huisvesten. In de omgeving van de Borobudur zijn veel overblijfselen opgegraven van kloosters en gastenverblijven.
Het internationale verkeer over land en over zee bereikte in Azië een hoogtepunt in de zevende en achtste eeuw. Het was dan ook in deze periode dat de bekeringsdrang van het boeddhisme zijn duidelijkste sporen naliet in landen buiten India, in de gebieden achter het Himalaya-gebergte en in de woestijnen langs de zijderoute van Centraal-Azië naar China. De bloeiende zeehandel bracht de Shailendra's rijkdom, terwijl cultuur, kunst en wetenschap floreerden onder de patronage van deze vorsten. Er bestonden nauwe culturele contacten tussen de Shailendra's en de Pala-dynastie in de Indiase regio's Bihar en Bengalen, zoals aangetoond is door inscripties, de visuele bewijzen dat ze hetzelfde geloof deelden en de sterk verwante kunststijlen. Erudiete pandits (godsdienstgeleerden) uit India dienden aan het hof van de Shailendra's en zij kunnen heel goed de initiatiefnemers zijn geweest van het nieuwe architectonische concept, teneinde tegemoet te komen aan de wensen van hun heren. Ze stimuleerden lokale beeldhouwers af te wijken van de traditie en te werken in de nieuwe stijl en met een nieuw religieus idioom. Op deze wijze ontwikkelde zich een unieke kunstuiting die in de hele antieke wereld zeer gewaardeerd werd. Ook bij hedendaagse kenners dwingt de Borobudur nog altijd bewondering af.

Het symbolisme

De structuur en het materiaal van de Borobudur verwijzen op symbolische wijze naar de kosmos, naar religieuze concepten en naar spirituele metafysische betekenissen. Haar structurele vorm wordt door onderzoekers beschreven als stupa (oorspronkelijke betekenis: grafheuvel), prasada (heiligdom, tempel) of mandala (kosmologisch diagram). In feite heeft de Borobudur alle drie deze definities in zich. Ook verschillende boeddhistische literaire bronnen worden benut om de betekenis en functie van dit imposante monument te verklaren.
De Borobudur is allereerst een stupa: een monument gebouwd om Boeddha te eren. Stupa's kunnen verschillende vormen hebben, variërend van eenvoudig tot ingewikkeld. Vroege stupa's waren heiligdommen met de stoffelijke resten van de Leraar. Later werden ze gebouwd voor andere soorten 'relikwieën', zoals de 'woord-relikwie' (de Leer, geschreven op diverse soorten materiaal) die aanbeden werd als het metafysisch lichaam en de werkelijke essentie van Boeddha. Het is plausibel dat de Borobudur niet het stoffelijk, maar het 'metafysisch lichaam' (dharmasharira) van Boeddha bevatte in de vorm van woord-inscripties of teksten en meer van dergelijke symbolen. De stupa van de Borobudur heeft een uitgewerkte en complexe vorm, die vele architectonische facetten en beeldhouwkundige details omvat. In die vorm kan het hebben gediend als heiligdom of tempel (prasada), waar mensen binnengingen om eer te bewijzen.

Tekening van het vooraanzicht door Cornelius, gemaakt in 1814 (RMV 1403-3551).

Tekening van de centrale stupa van de Borobudur, waarschijnlijk door Wilsen gemaakt, rond 1839 (RMV 1403-3653).

Het onderliggende ontwerp was zonder twijfel een diagram van het universum (mandala), ingenieus en symbolisch uitgedrukt in architectonische componenten en betekenisvolle sculpturen. De Borobudur laat het kosmologisch systeem zien in een driedimensionale structuur, met terrassen die de diverse overlappende bewustzijnsniveaus representeren en de vier richtingen van het kompas die zich uitstrekken vanuit een centrum dat de Zetel van de Schepping symboliseert.
Voor de Shailendra's was de Borobudur ook een kosmische berg, de as van het universum, de fontein waar de leer van Boeddha ontsproot, en de wortel van hun dynastieke levenskracht. De oorspronkelijke en geheiligde naam van het monument was wellicht bhumisambharabhudhara, verwijzend naar de vele treden die een aspirant moet klimmen om Verlichting te bereiken. De opzet van het monument biedt een duidelijke richtlijn voor geestelijke verlichting, en deze richtlijn kon men zowel materieel als spiritueel volgen. De richtlijnen worden belichaamd door de terrasstructuur, de trappen en de gangen die de pelgrims in hun ommegang omhoog naar het einddoel leidden. De ingekerfde reliëfs op de rondgang staan bovendien vol instructieve aanwijzingen van honderden pelgrims op hun weg naar wijsheid en spirituele groei. De oplopende terrassen en de reliëfs weerspiegelen de dynamiek en stroom van het leven, geregeerd door de onverbiddelijke wet van handelingen en gevolgen. Voortgaand op het juiste pad ontmoetten de pelgrims leraren en andere mensen die hen konden bevrijden van onwetendheid en dwaasheden. Steeds grotere wijsheid en zuiverheid zouden de geest transcenderen, tot deze uiteindelijk zou opgaan in een kosmische Ruimte.
Het kosmisch diagram in de Borobudur heeft een nauwe verwantschap met de mandala van het Vajradhatu-type, zoals dit bekend is uit diverse noordelijke boeddhistische landen. Het diagram bestaat uit vijf delen met de vijf goddelijke boeddha's aan het hoofd (Tathagata/Jina), die ook de vijf elementen beheersen van het menselijk lichaam en het universum.

Boeddha Amithaba. Afkomstig van de Borobudur, Java, 8e/9e eeuw, MNI 226.

Het systeem in de Borobudur is echter nog verder uitgewerkt en bevat zes of zelfs zeven boeddha's. Aan de vijf goddelijke boeddha's die heersen over de vier kwarten en het centrum, werden nog twee boeddha's toegevoegd die geacht werden te heersen over de hogere sferen van het universum op de top van de kosmische berg: de ene op de grens tussen de twee werelden van Vorm en Vormeloosheid, en de andere in de onzichtbare wereld van de oorsprong. Er bestaan conceptuele overeenkomsten tussen de Borobudur en de theologische systemen die worden toegelicht in de antieke Javaanse tekst Sang hyang kamahayanikan. Het oudste deel daarvan dateert waarschijnlijk uit het begin van de tiende eeuw. Ook de relatie tussen de mens en het universum worden in de tekst benadrukt, evenals de essentiële rol die de leraren speelden op de weg naar de Verlichting.

De vondsten in de belangrijkste stupa

Een van de onopgeloste vragen betreft de overblijfselen van de grootste stupa, die op de top staat en tevens in het hart van de Borobudur. Volgens de bronnen bleef dit holle koepelgewelf officieel ongeopend tot 1842, hoewel er diverse vroegere inbraaksporen van rovers te zien waren. Waarschijnlijk heeft Cornelius via een van die openingen in 1814 zijn interieurschetsen gemaakt. Op die vroegste tekeningen staat een lege stupa. Maar volgens een mondelinge bron uit dezelfde periode bevond zich een grote put in de vloer waarin de schatten gevallen zouden zijn, waardoor ze aanvankelijk aan de aandacht waren ontsnapt. Er gingen ook verhalen dat zich binnen in de stupa gouden boeddhabeeldjes zouden bevinden.
Uiteindelijk werd de stupa in 1842 geopend door Hartmann, bestuurder van het Kedu-gebied. Er bleken zich een onvoltooid stenen boeddhabeeld en een aantal kleine metalen objecten in te bevinden, die alle van onder de vloer van de binnenste kamer opgegraven moesten worden. De kleine objecten werden na oppervlakkige inspectie haastig terzijde gelegd, aangezien ze dateerden uit een veel latere periode. De onvoltooide boeddha echter trok de aandacht van onderzoekers en groeide uit tot onderwerp van talloze controverses over de vraag of dit nu wel of niet een originele schat betrof.

De onvoltooide boeddha

De meest gangbare mening was dat het beeld daar óf door Hartmann was neergelegd - die verwachtte het grootste mysterie, verborgen in het hart van de Borobudur, te ontrafelen - of door zijn ondergeschikten die zijn verlangen naar een dergelijke ontdekking wilden bevredigen. Maar anderen geloofden oprecht dat het beeld authentiek was en een onderdeel vormde van de metafysische inhoud van de Borobudur.
Ook wij zijn geneigd dit aan te nemen, na nogmaals alle bronnen te hebben bestudeerd. Sieburghs ongepubliceerde dagboek, geschreven vóór 1842, meldt dat men wist dat er een onvoltooid boeddhabeeld verstopt zat binnen in de stupa, hoewel hij dit zelf niet gezien heeft. Deze melding zou Hartmann dus moeten vrijspreken van de beschuldiging dat hij het bewijs zou hebben vervalst. Maar er zijn nog meer redenen hem vrij te spreken. Volgens de rapporten van de eerste restauratoren was het gat dat voor 1842 in het koepelgewelf zat, te klein om het boeddhabeeld door te laten. Zelfs al zouden Hartmann of zijn ondergeschikten het daar geplaatst hebben, dan nog zou het nooit zo diep onder de vloer begraven hebben kunnen zijn. Sterker nog, waarom zouden de verdachten zo'n imperfect en onaantrekkelijk boeddhabeeld hebben uitgekozen als centrale schat, terwijl er genoeg mooiere exemplaren in de naaste omgeving te vinden waren? Alle bronnen wijzen bovendien op het feit dat Hartmann nogal teleurgesteld leek en eerder verbaasd dan blij met deze vondst. Velen deelden zijn reactie. Totdat Foucher op de proppen kwam met enkele zevende- en achtste-eeuwse verslagen van pelgrims, die verwezen naar de onvoltooide boeddha van Bodh Gaya, de meest gewijde plaats in de geschiedenis van het boeddhisme.
In principe is een dergelijk fenomeen helemaal niet ondenkbaar in de Borobudur. De stijl van het onvoltooide beeld dateert zonder twijfel uit dezelfde tijd als het monument zelf. De beschadiging op het gezicht ontstond tijdens de opgraving; sommige delen van het lichaam waren onbewerkt. De voltooiing van het Bodh Gaya-beeld zou zijn verhinderd door goddelijke interventie, vanuit het principe dat een perfecte weergave van de geheiligde vorm niet door mensen gemaakt kon en mocht worden. Deze visie - duidelijk bekend en geaccepteerd door boeddhistische pelgrims van alle tijden - kan de vormgeving van de meest gewijde boeddhagedaante in de Borobudur hebben beïnvloed. Zoals Kern bijna een eeuw eerder suggereerde, bevond zich deze onvoltooide boeddha in het hart van het monument, onttrokken aan de blikken, en kan dit bedoeld zijn geweest als symbool van de 'embryonale boeddha', de nog onderontwikkelde vorm, deels al tevoorschijn komend vanuit het abstracte en ongedefinieerde boeddhaprincipe, maar toch ook nog verblijvend in de baarmoeder van het universum, onzichtbaar voor de ogen van sterfelijke wezens.
Het onvoltooide boeddhabeeld werd eenmaal verplaatst van de stupa naar de grond, waar men het in de open lucht liet staan, slechts beschermd door de schaduw van een boom. Blijkbaar verkeerde de eerste generatie archeologen en restauratoren in verwarring over het beeld. Door de plaatselijke islamitische bevolking werd het zeer gerespecteerd. Lokale moslims vereerden het als stenen weergave van de god van hun voorouders, smeerden het in met aarde en bewezen het eer, ondanks het islamitische verbod op afgoderij. Ze gebruikten echter ook de oneerbiedige bijnaam recho beleg, 'beeld in de modder'. De twijfel over het beeld bleef groot, zelfs bij de latere wetenschappers die de meest recente restauratie in de jaren zeventig en tachtig ter hand namen. Wij zijn erg blij dat de Onvoltooide Boeddha inmiddels bevrijd is van zijn 'voorouderlijke modder' en een eervolle plaats heeft gekregen op het terrein van het museum bij het monument.

De andere vondsten in de belangrijkste stupa

Behalve de Onvoltooide Boeddha zijn in de belangrijkste stupa nog meer zaken gevonden. De heel verschillende datering van deze objecten wijst erop dat er in het verleden is geknoeid met de verzameling. De objecten die in 1842 werden gevonden en vastgelegd, waren waarschijnlijk door schatgravers achtergelaten, die waren binnengekomen via het reeds bestaande gat in de koepel.
Krom somt op dat de andere vondsten bestonden uit een bronzen beeld, een vat met een aantal zilveren en gouden munten, een ijzeren kris en een bronzen offerschaal (talam). Hij noemt ook een fragment van een kleiner boeddhabeeld, gemaakt van een 'inferieure' steensoort en gevonden in de buurt van het monument, maar mogelijk afkomstig uit het binnenste van de belangrijkste stupa. Andere - onbevestigde - bronnen noemen nog een gouden boeddhabeeld en een pot met een as-achtige substantie. Drie van deze objecten zijn gelukkig bewaard gebleven in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Volgens de documentatie werden deze objecten geschonken door mr. G.J. Heiligers, de vroegere secretaris van de bestuurspost Kedu. Heiligers had de voorwerpen in 1843 gekregen van de administrateur van Magelang, die hem had laten weten dat de objecten gevonden waren 'in een put in de tempel van de Borobudur'. Waar de andere objecten gebleven zijn, is onbekend.
De gevonden objecten blijken uit twee verschillende perioden afkomstig te zijn: enerzijds uit de tijd van de bouw van de Borobudur (achtste en negende eeuw) en anderzijds uit de veertiende en vijftiende eeuw. Het onvoltooide boeddhabeeld kan alleen uit de eerste periode afkomstig zijn, evenals de bronzen sculptuur die de boeddhistische Bodhisattva Avalokiteshvara in vierarmige variant voorstelt. Het vakmanschap is uiterst verfijnd, zelfs al is de figuur licht beschadigd. Op basis van de summiere beschrijving van enkele zilveren en gouden munten kan vastgesteld worden dat deze van het ma-type zijn, vooral gebruikt in Centraal-Java van de achtste tot de tiende eeuw.
De bronzen talam (offerschaal) komt uit veertiende- en vijftiende-eeuws Oost-Java, zoals te zien valt aan de naar buiten toe uitlopende rand en de golvende lijnen van de inkervingen van de uiterst gestileerde lineaire decoraties. De ijzeren kris is moeilijk of onmogelijk te dateren. De menselijke gestalte die het handvat bovenaan siert, stamt uit de bronstijdcultuur die in Zuidoost-Azië het leven beheerste voordat nieuwe cultuurgolven uit India over de regio heensloegen. Dergelijke dolken kwamen in Java veel voor. Ze werden waarschijnlijk gemaakt door de lokale bevolking, terwijl hoger ontwikkelde professionele ambachtslieden verfijnde en luxe goederen maakten voor het hof en de hogere standen. Geen enkel voorwerp is ouder dan de Majapahit-periode (vanaf begin veertiende eeuw), een groot aantal kan zelfs uit veel later tijd afkomstig zijn, toen in het lokale taalgebruik de term 'Majapahit-kris' ervoor in gebruik was. Uit welke periode ze ook afkomstig mogen zijn, de voorwerpen hebben een tijdloos, ritueel en talisman-achtig karakter, dat lijkt op dat van de pusaka, het antieke en dierbare erfgoed dat in de hedendaagse Indonesische cultuur zoveel respect geniet.

De vondsten uit de geperforeerde stupa's op de ronde terrassen

Doorsnede en interieur van één van de geperforeerde stupas. Tekening door Cornelius, rond 1814 (RMV 1403-3587).

In twee van de stupa's met gaten op de ronde terrassen onder de top zijn een aantal kleinere voorwerpen gevonden, waaronder een bronzen boeddhabeeld en vijf Chinese munten. De boeddhafiguur, nu bewaard in het Nationaal Museum in Jakarta, is van inferieure vakmatige kwaliteit en dateert waarschijnlijk uit de vijftiende eeuw of later. De vijf Chinese munten die gebruikt werden als ruilmiddel, zijn afkomstig uit de periode van de Tang-dynastie (achtste eeuw) tot en met de Ming-dynastie (vijftiende eeuw).

Reconstructie van de geschiedenis van de Borobudur

Deze heterogene vondsten kunnen ons door hun karakter en ouderdom iets vertellen over de geschiedenis van de Borobudur als tempel, aan de hand van de verschillende activiteiten die er werden ondernomen in diverse tijden door allerlei groepen gelovigen.
De Borobudur werd nooit helemaal afgemaakt, maar tijdens of na een belangrijke bouwfase moet een rituele inwijding hebben plaatsgehad, toen de macht van de Shailendra's nog op zijn hoogtepunt was. De Onvoltooide Boeddha vormde ongetwijfeld een van de originele giften, waartoe ook nog vele andere rituele voorwerpen behoorden, zoals teksten of samenvattingen van belangrijke sutras. De gouden en zilveren ma-munten kunnen hier ook deel van hebben uitgemaakt, aangezien dergelijke munten frequent zijn aangetroffen in geheime bewaarplaatsen bij religieuze heiligdommen, waar ze werden begraven als zeldzame offers en als charismatische objecten om succes en voorspoed af te dwingen. Het bronzen beeld van Avalokiteshvara is uit dezelfde periode, maar werd waarschijnlijk pas later in de belangrijkste stupa geplaatst, samen met de giften uit de veertiende en vijftiende eeuw. Daarover later meer.

Nadat het politieke en economische centrum van het eiland rond 920 was verschoven naar Oost-Java, moet de Borobudur tot op zekere hoogte zijn verwaarloosd. Maar het heiligdom werd nooit helemaal vergeten. Mogelijk viel het niet meer onder de volledige bescherming van het hof, maar inscripties en beeldhouwkundige bewijzen uit Oost-Java laten zien dat er - ondanks het dominante hindoeïstische geloof in de nieuwe hoofdstad - nog steeds invloedrijke boeddhistische hoogwaardigheidsbekleders waren. Nieuwe boeddhistische golven kwamen uit Noord-India, het bolwerk van het tantrisme, de leer die de dogmatische verschillen tussen boeddhisme en hindoeïsme neutraliseert en zo de beide geloven verenigt. De Borobudur kan zelfs voor de Oost-Javaanse heersers, die zich lieten voorstaan op hun verwantschap met het oude huis van Mataram uit Centraal-Java, een belangrijk monument zijn gebleven. Nagarakertagama, de lofrede voor de koningen van Majapahit, geschreven door de boeddhistische toezichthouder in 1365, verwijst naar de Borobudur als geregistreerd en erkend religieus oord.
De vondsten die we hebben toegekend aan de Majapahit-periode in de veertiende en vijftiende eeuw, hebben een ritueel karakter. De talam is het meest bekend als de schaal van de priester, waarop rituele instrumenten werden geplaatst tijdens de ceremonie. De kris heeft een talisman-achtig karakter dat de kracht van het ritueel versterkt. De aanwezigheid van deze voorwerpen suggereert dat in de Borobudur een ceremonie, of zelfs nieuwe inwijding, is geweest ergens tussen de veertiende eeuw en het jaar 1526, toen het rijk Majapahit zich ten slotte overgaf aan de krachten van de islam. Deze rituele poging om de geest en het charisma van de Borobudur te doen herleven werd mogelijk geïnitieerd door de Vajradhara-sekte, die in 1365 toezicht hield op de plek. Tijdens het ritueel werd waarschijnlijk een aantal nieuwe voorwerpen gedeponeerd in de belangrijkste stupa. Wellicht werd de koepel daarbij geopend. Daardoor werden de oorspronkelijk aanwezige voorwerpen onthuld, waaronder een of meer boeddhabeelden. Nieuwe - voor een herinwijding relevante voorwerpen - werden toegevoegd, mogelijk onder meer de schaal van de priester, de talisman-achtige kris en een bronzen beeld van Avalokiteshvara.

   
De talisman-achtige kris (RMV 1403-1843) en een bronzen beeld van Avalokiteshvara (RMV 1403-1841).

Deze laatste afbeelding vormt aanvullend bewijs voor het feit dat in de Borobudur tijdens de Majapahit-periode een ceremonie is geweest. Hoewel het voorwerp oud is, is het onwaarschijnlijk dat het tot de oorspronkelijke objecten behoorde. Ondanks de grote populariteit van Avalokiteshvara in de Javaanse Shailendra-periode, is dit personage uit het theologisch systeem van de Borobudur slechts in enkele stichtelijke reliëfs te zien, in de rol van een van de vele verheven leermeesters voor de modelpelgrim. Het zou heel goed kunnen dat men dit bronzen beeld tijdens de herinwijding van het monument toevoegde, ten onrechte in de veronderstelling verkerend dat het een beeld van Shiva betrof, de grote hindoeïstische god. Het zou niet de eerste keer in de geschiedenis zijn dat een dergelijke vergissing is gemaakt.

Degenen die de boeddhistische en hindoeïstische iconografie bestuderen, zijn zich bewust van de sterke uiterlijke gelijkenis tussen de boeddhistische Avalokiteshvara en de hindoeïstische Shiva. Aan beiden wordt een ascetisch karakter toegeschreven, te zien aan de hoog opgestoken en samengebonden haarlokken, de onaangedane blik en de rustieke tijgerhuid die om de heup is gedrapeerd. Het enige verschil zit hem in de attributen en in de aanwezigheid van een miniatuur-boeddha op de kroon van Avalokiteshvara, terwijl Shiva een doodshoofd en een halve maan draagt. De aanbidding van de vierarmige Avalokiteshvara schijnt al in de Majapahit-periode in onbruik te zijn geraakt, terwijl de meest gangbare verbeelding van Shiva juist consequent met vier armen is. Het symbool aan de voorkant van het kapsel van deze bronzen figuur is erg onduidelijk. De attributen in zijn hand zijn nogal beschadigd en daardoor nauwelijks herkenbaar. Dit vierarmige beeld kan zodoende door de priesters van de Majapahit-periode zijn beschouwd als een voorstelling van Shiva. Dat zou een mooie toevoeging aan de stupa betekenen, als tegenhanger van het boeddhabeeld of de boeddhabeelden die daar al waren, klaarblijkelijk in overeenstemming met de religieuze denkbeelden van de periode toen Shiva en Boeddha werden vereerd als één god.

Aan het einde van de hindoeïstische en boeddhistische periode in de zestiende eeuw werden de Borobudur en andere antieke Javaanse monumenten verlaten en vermeden door de bevolking, die zich intussen bekeerd had tot de islam. De omwonenden hadden een vooroordeel ontwikkeld tegen dergelijke plekken van 'afgoderij' en hadden er zelfs bijgelovige angst voor. Toch is de Borobudur nooit helemaal uit het plaatselijke geheugen verdwenen. In de Babad Tanah Jawi en de Babad Mataram van de achttiende eeuw wordt melding gemaakt van twee extreme gevallen van tegenslag en ongeluk, waarbij een verbinding met de Borobudur wordt gelegd. De laatste bron refereert aan de figuur van een ongelukkige 'ridder die gevangen zit in een kooi'. Koninklijke bezoekers die naar hem keken, zouden verdriet en ongeluk ten deel vallen. De bevolking kende aldus slapende mystieke krachten, charismatische macht en zelfs het vermogen ongeluk te veroorzaken toe aan het monument.
De enige groep die schijnbaar niet bang was, zouden de Chinese bewoners van Java zijn geweest, die vanuit hun culturele achtergrond positief stonden tegenover de boeddhabeelden en boeddhistische zaken in het algemeen. Mogelijk hebben zij de Borobudur ontdekt en haar boeddhistisch karakter herkend nog voordat de Europeanen dat deden. Het kleine 'boeddhabeeld van inferieure kwaliteit' en de antieke Chinese munten die de restaurateurs van de Borobudur vonden in twee opengemaakte stupa's op de terrassen, zouden hun gaven kunnen zijn geweest. Die kunnen ze naar binnen hebben gegooid door de getraliede openingen, zoals dat vandaag de dag nog steeds wordt gedaan door bezoekers die geluk willen afdwingen.

Het wegkappen van het bos rondom de plek en de restauratie van de heuvel zullen uiteindelijk de bijgelovige angsten van de bevolking hebben verdreven. Zelfs de eens droevig stemmende Onvoltooide Boeddha kon rekenen op sympathie in de moslimgemeenschap, en de ongelukkige pechvogel van de 'ridder die gevangen zit in een kooi' kwam nu bekend te staan als geluksvogel. Door de bevolking werd hij vaak liefkozend 'Grootvader Bima' genoemd. Hij stond garant voor geluk en liet alle wensen uitkomen. Sommige narratieve afbeeldingen stralen een sterk gevoel van welbevinden over de plek uit, zozeer zelfs dat aan hen de kracht wordt toegeschreven te kunnen zorgen voor rijkdom en een gelukkig gezinsleven. Niet alleen boeddhistische pelgrims uit Java en uit de hele wereld trekken naar de Borobudur om eer te bewijzen. De hele Javaanse bevolking komt er regelmatig om bloemen en wierook te offeren, wat hun geloof of etnische herkomst ook is.

<< vorige
 

  
Vorige/Back