Gedeeld Cultureel Erfgoed Lombok 1894: de voorgeschiedenis en de militaire expeditie van 1894

Lombok 1894: de voorgeschiedenis en de militaire expeditie van 1894

Omdat Lombok vanwege haar vruchtbaarheid sinds de achttiende eeuw rijst exporteerde naar Australië, Manilla en China, had het de belangstelling van de Nederlanders. Aangezien de vorst van Mataram echter nauwe contacten onderhield met de Engelsen, opereerden de Nederlanders eerst met enige terughoudendheid. Aanvankelijk werd de oorlog tussen Mataram en de Sasak door de koloniale overheid minder belangrijk gevonden. De Nederlanders beseften dat Mataram nooit zou kunnen winnen, omdat de Sasak zich bijna allemaal hadden bekeerd tot de islam. Moslims laten zich niet gemakkelijk overheersen noch dwingen over te gaan naar een ander geloof. De Nederlanders wisten toen nog niet dat de vorsten van Balinese afkomst op Lombok, zoals de heersers van Mataram, Singasari, Pagutan en Pagesangan, in het verleden een politiek hadden gevoerd die tegen de Sasak-gemeenschap was gericht met talrijke uitingen van geweld en wreedheid. Daarom besloot de ene na de andere Sasak-dorpsgemeenschap de wapens op te nemen en zich tegen deze vorsten te verzetten, waarbij vele vooraanstaande Sasak werden gedood of gevangen genomen. Door de wederzijdse strubbelingen en vijandigheden werd het vorstendom Mataram verscheurd, wat de Nederlanders in de kaart speelde. Door hun vastberadenheid slaagden de Nederlanders erin om in 1843 een overeenkomst te sluiten met de vorst van Mataram, waardoor de invloed van de Engelsen beduidend afnam.
Vanaf dat moment bemoeiden de Nederlanders zich openlijk met de geschillen tussen de Sasak en Mataram. De Nederlanders probeerden beide oorlogvoerende partijen tot bedaren te brengen. In 1891 kreeg gouverneur-generaal M.C. Pijnacker Hordijk van de Sasak-leiders het verzoek in te grijpen, maar hij was gebonden aan de overeenkomst uit 1843 met Mataram en kon niets doen. De Nederlanders negeerden schendingen van het akkoord van de zijde van Mataram, zoals de hulp die werd gegeven door Karangasem bij de aanval op Klungkung, het importeren van wapens, het weigeren van de ontvangst van delegaties van de Nederlands-Indische regering door de vorst van Mataram, en pogingen om de Engelsen er weer bij te betrekken.
In 1893 probeerden de Nederlanders, met Hordijk als intermediair, een vredesverdrag tussen de Sasak en Mataram te bewerkstelligen. De vorst van Mataram wees het voorstel af, wat bij de Raad van Indië tot grote woede leidde. De gouverneur-generaal gaf aan Liefrinck en de Sasak-leiding de opdracht om over de situatie in Lombok te rapporteren. Hieruit kwam naar voren dat de bevolking van Lombok honger leed, de vijandelijkheden van de Sasak ten opzichte van Mataram aan het afnemen waren, de Sasak-gemeenschap zich in geen geval zou overgeven aan Mataram, en dat Mataram van plan was alle Sasak-leiders te vermoorden.
Op grond van dit rapport besloot de gouverneur-generaal dat een ingrijpen niet langer kon worden uitgesteld. Op 22 mei 1894 schreef hij een brief aan de minister van Koloniën Bergsma dat de Nederlands-Indische regering zich ging inzetten om het lot van de inwoners van Lombok te verbeteren. Gouverneur-generaal Van der Wijck, die Hordijk was opgevolgd, beval de resident van Bali en Lombok om aan de vorst van Mataram te berichten dat hij zijn excuses aan de Nederlands-Indische regering moest aanbieden, trouw diende te zweren aan de gouverneur-generaal, af moest treden als vorst en de resident moest toestaan om zich met de interne zaken op Lombok bezig te houden.
De eisen werden door de vorst afgewezen, waarop resident Dannenbargh en controleur Liefrinck op 3 juni 1894 te Ampenan aan land kwamen om een bespreking te hebben met de vorst. Op dat moment bevond de vorst zich echter in Oost-Lombok en kon vanwege ziekte niet aanwezig zijn. Hij stuurde zijn beide zonen. Om acht uur 's morgens op 9 juni 1894 ontmoetten zij elkaar in de puri Cakranegara. Tijdens dit onderhoud las resident Dannenbargh de vier voorwaarden voor aan de zoons, Anak Agung Made Karangasem en Anak Agung Ktut Ngurah Karangasem. Zij moesten antwoord geven binnen drie etmalen. Indien er geen antwoord kwam, zagen de Nederlanders zich gedwongen geweld te gebruiken.
Gouverneur-generaal Van der Wijck besloot vervolgens een militaire expeditie naar Lombok te sturen. Generaal-majoor J.A.Vetter werd aangesteld als bevelhebber, generaal-majoor P.P.H. van Ham als zijn vertegenwoordiger en resident Dannenbargh als politiek adviseur. Op 30 juni 1894 vertrok de militaire expeditie van Batavia met drie schepen, de Prins Hendrik, de Koningin Emma en de Tromp, met aan boord 107 officieren, 1320 soldaten uit Europa, 948 inheemse soldaten, 386 paarden, 216 bedienden, 64 (inlandse) opzichters en 1718 strafgevangenen en enkele bestuursambtenaren. Zij arriveerden op 5 juli 1894 te Ampenan. Het ultimatum werd verlengd en de vorst kreeg tot het ochtendgloren van 6 juli 1894 de tijd. Bij het ultimatum werden nog meer voorwaarden toegevoegd, namelijk dat de vorst de macht moest overdragen aan zijn zoon, dat de kosten van de expeditie naar Lombok dienden te worden terugbetaald met goud en zilver, en tevens dat de overeenkomst uit 1843 zou worden aangepast aan de wensen van de gouverneur-generaal.
De eisen werden onvoorwaardelijk geaccepteerd door de vorst van Mataram, met uitzondering van de overdracht van de troon aan zijn zoon Anak Agung Made Karangasem die door de vorst eigenhandig werd geëxecuteerd omdat hij incest zou hebben gepleegd met de dochter van zijn broer, Anak Agung Ayu Made Rai, wat werd opgevat als een schande. Beiden werden gedood en hun lijken in zee gegooid. Op dat moment was de kroonprins Anak Agung Ktut Karangasem in Oost-Lombok om een opstand ter plekke te bedwingen. De Nederlanders grepen deze kans aan om hun legermacht naar Mataram en Cakranegara te sturen en strategische punten in de tempels in te nemen. Deze actie veroorzaakte nervositeit onder zowel de Sasak- als de Cakranegara-gemeenschap.
Op 12 juli 1894 werd de kroonprins per brief verzocht naar Mataram terug te keren. Controleur Liefrinck werd uitgezonden om hem en de leiders van de opstandige Sasak van Oost-Lombok naar Cakranegara te brengen. Tijdens deze bijeenkomst bracht Vetter te berde dat, om de macht van de Nederlands-Indische regering te benadrukken, kroonprins Anak Agung Ketut Karangasem door de Nederlanders tot vorst zou worden benoemd en dat alle Sasak-leiders gehoorzaam aan de nieuwe vorst dienden te zijn. De vorst en zijn zoon doorzagen echter de politiek van de Nederlanders om hen de macht over het vorstendom afhandig te maken. Om het rijk en hun waardigheid te verdedigen kwamen de vorst en de kroonprins met elkaar overeen dat zij op elk voorstel van de Nederlanders uitvluchten zouden bedenken.
In de vroege ochtend van 26 augustus braken gewelddadigheden uit. Een prinses, voortgekomen uit het huwelijk met Denda Nawangsash, maakte samen met haar volgelingen amok en zij doodden elke Nederlander die ze tegenkwamen. Tijdens deze aanval sneuvelde ook generaal Van Ham. Dit wordt in de Nederlandse literatuur gezien als het 'Verraad van Lombok'.
Het mislukken van de eerste militaire expeditie werd door Vetter aan gouverneur-generaal Van der Wijck in Batavia gemeld. Zij kwamen overeen om deze kwestie hard aan te pakken, meer wapens en kanonnen te sturen en de troepenmacht te vergroten. Na de komst van de hulptroepen en -goederen uit Batavia besloten Vetter en Dannenbargh eerst Mataram aan te vallen en via Pegesangan naar Cakranegara op te trekken. Ondertussen had de vorst van Lombok zijn fort laten ontruimen en de Balinese troepen naar Cakranegara en Mataram overgebracht. De Sasak in Oost-Lombok grepen deze kans aan om de huizen van de Baliërs aan te vallen en plat te branden. Dit had te maken met het feit dat de Nederlanders op 9 september 1894 West-Lombok zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden probeerden te omsingelen. Op 29 september gaf generaal Vetter het bevel de aanval op Mataram te openen waarbij hij op hevige tegenstand van de bevolking stuitte. Op 30 september werd de aanval beëindigd en bezetten de Nederlanders de puri van Mataram.
Vanaf 11 oktober vielen de Nederlanders vervolgens onvermoeibaar Cakranegara aan met zeer felle aanvallen, die heviger waren dan de aanval gericht tegen Mataram. In een rapport van generaal Vetter aan de gouverneur-generaal te Batavia wordt gemeld dat in een maand tijd, van 19 oktober tot 19 november, duizenden kogels werden verschoten bij pogingen om het verzet van dit laatste vorstendom op Lombok te breken. Om de expeditie wat lucht te geven, besloot de gouverneur-generaal nieuwe troepen uit Batavia en Semarang te sturen. Hij zond 8200 zwaar bewapende soldaten in de hoop dat generaal Vetter de puri Cakranegara snel zou kunnen innemen.
Resident Dannenbargh stuurde een delegatie met een vredesvoorstel naar de vorst. De vorst verwees echter resoluut naar de overeenkomst uit 1843, waarin stond dat de vorst van Lombok de heerschappij van de Nederlanders over Nederlands-Indië erkende terwijl de Nederlands-Indische regering zich niet zou mengen in de interne aangelegenheden van Lombok. Daarom eiste hij dat de Nederlanders Lombok onmiddellijk zouden verlaten. Deze eis werd uiteraard door de Nederlanders afgewezen en generaal Vetter maakte zijn troepen onmiddellijk gereed om Cakranegara aan te vallen.
Op 18 november 1894 werden meer dan vijfduizend soldaten, verdeeld over vier eenheden, ingezet en al snel werd het fort in Mataram ingenomen. Andere eenheden drongen tegen het eind van de avond het gebied rond de puri Cakranegara binnen. Bij deze aanval stuitten de Nederlanders op hevig verzet en werden vele soldaten gedood, waarop besloten werd tot terugtrekking. De volgende dag, 19 november, troffen de Nederlanders de puri verlaten aan. Hier en daar werden de rijkdommen van de puri geplunderd door zowel Nederlandse soldaten als door Sasak. Deze Sasak werden later door de Nederlanders geëxecuteerd. Bij deze gelegenheid maakten de Nederlanders 230 kilo goud en 7000 kilo zilver buit, die naar Batavia werden gestuurd. Op 20 november vertrok er weer een Nederlands schip naar Batavia met aan boord voorwerpen van goud zoals krissen, elf sirihstellen en honderden andere waardevolle voorwerpen. Tijdens deze expeditie werd ook het palmbladhandschrift Negarakertagama, een handschrift waarin over het Rijk van Majapahit verhaald wordt, door de Nederlandse geleerde Brandes 'veilig gesteld'.
Na de terugtrekking van de Nederlanders besloot de vorst op de 19e zijn paleis te verlaten en naar Saksari te gaan, waar alle Baliërs, de hele hofhouding, edelen en de brahmanen zich hadden verzameld. Op die dag verliep het ultimatum aan de vorst om zich over te geven en generaal Vetter gaf het bevel Saksari aan te vallen. Tijdens hevige gevechten, waarin de kroonprins sneuvelde, kreeg de vorst een schrijven van resident Dannenbargh waarin werd beloofd dat de vorst naar Batavia kon gaan en alle zaken kon voorleggen aan de gouverneur-generaal. Om die reden werd de vorst, samen met twee zoons Anak Agung Made Jelantik en Anak Agung Ketut Oka, uitgenodigd naar Ampenan te komen voor een bespreking met resident Dannenbargh en controleur Liefrinck aan boord van het schip de Prins Hendrik om overleg te plegen over alle punten die hij aan de gouverneur-generaal zou willen voorleggen. Zonder dat zij het beseften, was het schip echter op 23 november 1894 langzaam Batavia genaderd. Zo kwam het dat de vorst van Lombok was meegevoerd en in een huis in de wijk Tanah Abang te Batavia gevangen werd gezet. Na een jaar overleed hij, om precies te zijn op 20 mei 1895, en werd begraven te Karet. Pas in 1943 werd zijn stoffelijk overschot gecremeerd op Lombok. Omdat de vorst te Batavia overleed, staat hij ook wel bekend onder de naam Dewata di Betawi.
Nadat er onder leiding van kolonel Swart en generaal Segov zuiveringen waren doorgevoerd, werd de Lombok Expeditie die de puri Cakranegara ten val had gebracht op 1 december 1895 beëindigd. De onderwerping van het vorstendom Mataram door de koloniale regering had van beide zijden veel slachtoffers geëist. Mataram telde duizenden doden en gewonden, terwijl aan de Nederlandse kant 175 doden en 503 gewonden vielen. Toen de oorlog was afgelopen, werden alle verdedigingsbolwerken afgebroken en een deel van de legermacht onder leiding van commandant Swart teruggestuurd. Op Lombok werd - onder leiding van bevelhebber Vetter, geassisteerd door directeur binnenlandse zaken G.A. Scheren - in overleg met de Sasak-leiders begonnen met de opbouw van een nieuw bestuursapparaat. Lombok kwam onder rechtstreeks bestuur van de Nederlands-Indische regering en werd een afdeling van de residentie Bali en Lombok met Ampenan als hoofdstad.

<< vorige
 

  
Vorige/Back