|
II. De Pahari miniatuurschilderkunst: een korte geschiedenis Zelfs in die oude voorbeelden van Indiase religieuze kunst mengt zinnenstrelende schoonheid zich met godsdienst, aldus het besef van de onscheidbaarheid van het wezen en de geest bevestigend, hetgeen vooraf gaat aan de ultieme fase van spirituele bevrijding. Een nieuwe stroming, die verstrekkende gevolgen zou hebben op de techniek en het karakter van de Indiase schilderkunst, ving aan in het boeddhistische en hindoeïstische India in de 13e eeuw met de invloed van de culturele traditie uit het islamitische Midden-Oosten, en met name uit het voormalige Perzië. Perzische schilders werden uitgenodigd om bij moslimhoven in India te werken en zij brachten zowel nieuwe technieken als nieuwe onderwerpen mee. Hierdoor ontstond er een succesvolle samensmelting van culturele en artistieke elementen. De miniatuurschilderkunst in India, die gebruik maakte van deze nieuwe middelen en technieken, werd nog verder verrijkt door nieuwe onderwerpen en visies over te nemen uit het buitenland, om zo een niet eerder vertoond niveau van verfijning te bereiken onder bescherming van de kunstminnende keizers van de Mogol-dynastie tijdens de 16e-18e eeuw. Vanuit het keizerlijke hof verspreidde de nieuwe artistieke trend zich tot elke hoek van het Mogol-rijk. Feodale vorsten en bestuurders begonnen met elkaar te wedijveren in het opzetten van hun eigen ateliers. De hoven van de hindoe-Rajputs, vorsten van Rajasthan en de Punjab, werden belangrijk werkterrein en vormden later zelfs een toevluchtsoord voor in de Mogol-school opgeleide kunstenaars. Deze kunstenaars waren al in de tweede helft van de 17e eeuw gedwongen de keizerlijke hoofdstad te ontvluchten, omdat men hen daar drastische moslim orthodoxe ideeën oplegde, en wederom was er reden tot vluchten tijdens de fatale Perzische invallen van 1739. Verschillende miniatuurkunstscholen begonnen daarop in de Rajput-staten in de bergen en heuvels aan de voet van de westelijke Himalaja te bloeien [7]. Basohli en Chamba groeiden in het midden van de 17e eeuw [8] uit tot belangrijke centra, maar deze kunst beleefde haar hoogtepunt onder het patronaat van de machtige Raja Sansar Chand van Kangra (1775-1823) [9] wiens politieke macht en artistieke smaak een groot deel van de regio van de westelijke Himalaja overheerste. Het einde van Sansar Chands regeerperiode luidde een snel verval van deze kunst in, alhoewel iets van haar vroegere glorie bleef hangen gedurende het tijdperk van de Sikh suprematie en de Britse heerschappij. |