KADJAREN-KLEDIJ UIT IRAN I. De Hotz-collectie

Albert Hotz (1855-1930) [2]

Albertus Paulus Hermanus Hotz werd op 22 januari 1855 in Rotterdam geboren. Hij was de zoon van Jacques Cornelis Paulus Hotz en Gertrude Arnolda Johanna Pino Post. Jacques Hotz richtte in september 1874 een firma op om handelsbetrekkingen tussen Nederland en Iran aan te gaan. Hij noemde deze nieuwe firma de Vennootschap Perzische Handelsvereeniging J.C.P. Hotz & Zoon. Zijn zoon Albert vertrok eind november 1874 (op negentien-jarige leeftijd!) naar Iran om de nieuwe firma uit te breiden en van daaruit handelsbetrekkingen tussen de twee landen op te starten. In mei 1875 keerde hij, na de dood van zijn vader, noodgedwongen terug naar Nederland. Albert Hotz reorganiseerde zijn vaders zaken en zette binnen de oude Perzische Handelsvereeniging een nieuwe firma op, die hij simpelweg Hotz & Co noemde.


A. Hotz in 1884

In 1877 vertrok Hotz opnieuw naar Iran en vestigde er kantoren in Isfahan en in het nabijgelegen Bagdad en Basra in het Ottomaanse Rijk in modern Irak (zie kaart). Hij probeerde meer Nederlandse financiers over te halen in Iran te investeren. Maar in 1878, na een aantal financiële tegenvallers, trokken zijn financiers zich stuk voor stuk terug en keerde hij wederom terug naar Nederland. In 1880 vertrok Hotz voor de derde keer naar Iran. Hij verbleef er enkele jaren en keerde in 1883 terug om het Perzische paviljoen van de internationale tentoonstelling die dat jaar in Amsterdam gehouden zou worden, te helpen inrichten (zie het volgende hoofdstuk). Hotz verplaatste zijn Europese hoofdkantoor naar Londen en reisde weer af naar Iran. De daaropvolgende jaren dreef hij handelsagentschappen in Boesjir, Sjiraz, Isfahan, Boeroedjerd, Sultanabad, Yazd, evenals in Bagdad en Basra in Irak (zie kaart). [3]

Gedurende deze periode breidde Hotz zijn handelsinteresses nog verder uit. Hij was betrokken bij kolenwinning, het opzetten van de Imperial Bank of Persia, de tapijtindustrie en de geplande ontwikkeling van de rivier de Karoen. [4] In maart 1884 verleende de gouverneur van Isfahan, de oudste zoon van de sjah van Iran, Hotz concessies om naar olie te boren in de provincie Khoezistan, wat helaas voor hem mislukte. [5]

In 1885 werd Hotz benoemd tot consul voor Nederland in Iran en in die hoedanigheid zetelde hij in Boesjir aan de Perzische Golf (zie kaart). Deze handelsstad was van groot belang voor de Nederlanders omdat veel goederen tussen Nederland en de Nederlandse koloniën in de Oost door de Perzische Golf werden vervoerd. [6] Tijdens deze periode kreeg Hotz de gelegenheid een collectie textiel en andere voorwerpen aan te leggen. Een aantal van deze voorwerpen werden eerst aan het Museum voor Land- en Volkenkunde te Rotterdam uitgeleend en rond 1890 officieel door het museum aangekocht. [7]

Vanaf 1895 stortte de internationale handel ineen en gingen verschillende Europese handelsfirma's, waaronder die van Hotz, failliet. Door de krach raakte de familie Hotz in financiële moeilijkheden en in 1903 hield Hotz & Zoon op te bestaan.

In 1906 werd Hotz lid van de Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën in Den Haag. Hij kreeg de taak om te schrijven over de rol van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Perzië. Van 1909 tot 1916 werkte Hotz op het Nederlandse consulaat in Beiroet, waar hij in 1917 tot consul werd benoemd. Hotz legde dit ambt op 21 april 1921 neer.

Na zijn terugkeer in Nederland probeerde Hotz zijn onderzoek naar de VOC weer op te pakken. Zijn slechte gezondheid dwong hem echter te stoppen. In 1921 ging hij met pensioen in Lugano, in Zwitserland, om zo in de buurt te zijn van zijn zoon Hendrik, die ziek lag in een sanatorium in Davos-Platz. Helaas stierf zijn zoon datzelfde jaar.

A.H.A. Hotz overleed op 11 april 1930 in Cologny, in de buurt van Geneve. Hij werd begraven op de begraafplaats Crooswijk, in zijn vaderstad Rotterdam.

<< vorige         volgende >>


 
scroll naar beneden  scroll naar boven